Proefschrift

Pol, P.J. van der (2005). Kracht en Macht van Spel en Verbeelding.

Een studie over Spel en Verbeelding bij kinderen met en zonder ontwikkelingsproblemen.

Proefschrift Universiteit Leiden   –   (volledige  Thesis)

Samenvatting

In de Inleiding van het proefschrift wordt gesteld dat een goed verlopende spelontwikkeling van belang is voor de algehele ontwikkeling van het jonge kind en een protectieve factor vormt in de opvoedingssituatie. Dit geldt zowel voor kinderen bij wie de ontwikkeling normaal verloopt als voor kinderen bij wie dat niet het geval is. Aandacht voor het spel heeft een preventieve én curatieve betekenis. Terwijl in het verleden de sociaal-emotionele ontwikkeling van het spel centraal stond is de laatste tijd meer aandacht gekomen voor de met cognitie verwante vaardigheden, aangeduid met het begrip ‘Theory of Mind’.

Veel aandacht is ook altijd uitgegaan naar de inhoud van het spel, terwijl de laatste jaren meer wetenschappelijk onderzoek wordt verricht naar de aard en kwaliteit van het spel. Onderzoek naar verbeeldend spel, als onderscheiden spelvorm, neemt een aparte plaats in. De verschillende theoretici hebben geen eenstemmig oordeel over het al dan niet meta-representatief zijn van verbeeldend spel. Voortgang van het wetenschappelijk onderzoek is dan ook van belang.

De verschillende accenten in de theorievorming rondom spel komen in dit proefschrift in het eerste deel aan bod, uitmondend in een voorstel om een bestaand algemeen theoretisch concept, te weten dat van de semiotiek (de leer van het tekensysteem) toe te passen op het verschijnsel spel. Het doel daarvan is het creëren van een nieuwe visie op spel, die nieuwe aanknopingspunten biedt voor observatie en behandeling van het spel.

In hoofdstuk 1 Vormkenmerken van verbeeldend spel wordt benadrukt dat het voor kinderen van belang is fantasie en werkelijkheid goed te kunnen onderscheiden. Vooral in de huidige tijd die kinderen zo intensief confronteert met virtualisering van de werkelijkheid. De meningen van vooraanstaande theoretici op het gebied van spel door de eeuwen heen worden weergegeven, te beginnen bij de Griekse beschaving waar verschillend gedacht werd over het nut van ‘mimesis’, ofwel verbeelding, in spel. Uit een korte rondgang door de late Middeleeuwen blijkt dat er maar zelden tijd was voor kinderspel, dat veelal als tijdverspilling werd gezien. In het daaropvolgende tijdperk komt men juist op voor het belang van spel voor de ontwikkeling van een kind, al blijken de meningen over het nut ervan wel te verschillen. Diverse theorieën met elk een eigen accent worden vervolgens uitgewerkt, variërend van ‘spel als recapitulatie’, tot ‘spel als fictie’, met telkens de werkelijkheid als achtergrond.

Na een voornamelijk inhoudsgerichte oriëntatie op het spel is er momenteel een oriëntatie op de vormkwaliteit van het spel met aandacht voor de cognitieve ontwikkeling, de interactionele en de sociale mogelijkheden die het spel biedt. Van het kind met ontwik-kelingsproblematiek wordt verondersteld dat het een wezenlijk ander spel laat zien dan het gewone kind. Deze veronderstelling is uitgangspunt voor het empirisch onderzoek dat in deel 2 wordt beschreven.

In hoofdstuk 2 Het begrip ‘Verbeelding’ in historisch perspectief wordt aangegeven hoe verschillend gedacht werd en wordt over vorm- en inhoudsaspecten van verbeelding. De ideeën van filosofen, kunstenaars en menswetenschappers door de eeuwen heen kunnen in drie groepen worden onderverdeeld: zij die waarschuwen voor de verbeelding, zij die de kracht van verbeelding benadrukken en zij die oog hebben voor zowel de kracht als het gevaar van verbeelding. Volgens de eerste groep werkt verbeelding slechts afleidend van de ware zijnsvormen of de ‘Ideeënwereld’, hetgeen verwerpelijk is. Vertegenwoordigers van de tweede groep geven aan de ‘mimesis’, ofwel de uitbeelding van het waargenomene, een vernieuwende, creatieve betekenis. Oog hebben voor zowel het gevaar als de kracht van de verbeelding klinkt door in de visie van diegenen die zowel de heilzame werking van de verbeelding benutten in behandelingsvormen alsook oog hebben voor de verleidelijke, af-leidende kant van verbeelding, die chaotiserend kan werken.

Als mijn mening breng ik naar voren dat in spel met de beleving van de werkelijkheid kan worden geëxperimenteerd, mits aan de vormkenmerken van spel voldoende aandacht wordt besteed, zodat de verbeelding niet geheel losraakt van de werkelijkheid.

Hoofdstuk 3 Spel en semiotiek handelt over de mogelijkheid om spel op te vatten als een semiotisch verschijnsel, een tekensyteem vol betekenis. Semiotiek is de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van tekensystemen. De verschillende opvattingen die zich in de loop der eeuwen hebben voorgedaan over het verschijnsel ‘teken’ worden behandeld. De speltheorievorming is tot nu toe vooral geïnspireerd geweest door de psycholinguïstisch georiënteerde semiologische benadering van Ferdinand de Saussure (1857-1913). In diens opvatting is het teken te beschouwen als een eenheid van een bepaalde vorm, de betekenaar (‘signifiant’) en een bepaalde betekenis, het betekende (signifié). Het gaat daarbij om een dichotome tekenopvatting, in de lijn van het Cartesiaanse bipolaire denken.

Als vernieuwend voor het proces van betekenisverlening zoals dat in het spel plaats vindt, wordt de semiotiekopvatting toegelicht van de Amerikaanse filosoof Charles Sanders Peirce (1839-1914) die, als pragmaticus, benadrukte dat betekenissen hun oorsprong vinden in handelingen en daaraan gekoppeld zijn. De verbinding tussen betekenisverlening in spel en spelend handelen is essentieel en de kwaliteit van de alsof-handeling bepaalt in sterke mate de kwaliteit van het spel. Vandaar dat het Peirceaans tekensysteem zich goed leent voor toepassing op het verschijnsel spel.

De semiotiek-opvatting van Peirce is een trichotoom concept, dat te herleiden is tot drie zijnswijzen die zich in een dynamische relatie tot elkaar verhouden: ‘Firstness’, de mogelijkheid tot betekenisverlening, ‘Secondness’, de actuele betekenisverlening en ‘Thirdness’, de algemeen geldende regel. Ook het teken zelf kan weer in drie niveaus worden onderscheiden te weten ‘icoon’, ‘index’ en ‘symbool’. Met behulp hiervan kan worden verduidelijkt hoe de betekenisverlening zich in het spel van kinderen ontwikkelt of op welk niveau deze ontwikkeling eventueel stagneert, wat van belang is voor het kiezen van de juiste behandelingsvorm. Het gegeven dat kinderen in deze tijd overstelpt worden met letterlijke, iconische beelden vanuit de virtuele wereld, kan van negatieve invloed zijn op de ontwikkeling van hun vermogen tot symbolische expressie. Verondersteld kan worden dat het toenemend eenzijdig gebruik van iconische tekens ertoe leidt dat met name jonge kinderen steeds minder indexicale en symbolische tekens in hun spel gaan vertonen. Daardoor vermindert de variatie in het vormgeven van de meerduidige betekenisverlening in het spel, hetgeen ten koste gaat van de kwaliteit van verbeeldend spel.

Rekening houdend met deze nieuwe semiotische oriëntatie en visies van andere spel-theoretici wordt verbeeldend spel in dit proefschrift op een andere dan de gebruikelijke wijze, schematisch in beeld gebracht, waarbij het bestaande schema van Vermeer is aangevuld met de kernpunten uit de semiotische visie van Peirce.

Hoofdstuk 4 Nieuwe accenten in de formele spelanalyse geeft een overzicht van de visie van diverse speltheoretici op het al dan niet meta-representatieve karakter van doen-alsof spel. Middels spel kan ook een jong kind zich verplaatsen in de wensen, gedachten en bedoelingen van zichzelf en anderen. Vanuit die gedachtegang wordt betoogd dat verbeeldend spel meta-representatief is qua spelvorm maar niet qua spelinhoud.

De trichotome tekenopvatting van Peirce biedt nieuwe mogelijkheden om gedifferentieerder naar de vormen van representatie en be-teken-ing in verbeeldend spel te kijken. In het verlengde daarvan wordt ervoor gepleit om de term ‘Symbolisch spel’ als overkoepelende term te vervangen door ‘Verbeeldend spel’, vanuit de Peirceaanse gedachte dat ‘Symbolisch spel’ één van de drie mogelijkheden is waarin ‘Verbeeldend spel’ zich manifesteert.

Verbeeldend spel is tevens een wijze van spelen die bevorderlijk is voor het ontwikkelen van hypothetisch denken, door Peirce aangeduid met de term ‘abductie’. Het verbeeldend spel met zijn onvoorspelbaarheden wat betreft vorm en inhoud, biedt een mogelijkheid tot ‘gissend denken’, waarmee abductief denken kan worden omschreven. Als zodanig is verbeeldend spel een belangrijk oefenveld voor het ontwikkelen van een ´Theory of mind´ en een variant op het deductieve en inductieve redeneren.

In het tweede deel van dit proefschrift wordt verslag gedaan van een empirisch onderzoek naar de spelkenmerken van (Niet)-Verbeeldend Spel van jonge kinderen, met en zonder ontwikkelingsproblemen.

In Hoofdstuk 5 De opzet van het onderzoek wordt allereerst toegelicht welke auteurs inspiratiebron waren voor het doen van dit onderzoek. Daarna volgt een beschrijving van de onderzoeksopzet, de onderzoeksgroepen en de onderzoeksmiddelen die gebruikt zijn ter beantwoording van de centrale onderzoeksvraag:

Wordt het veronderstelde verschil in spelkenmerken van (Niet)-Verbeeldend spel tussen kinderen met en zonder ontwikkelingsproblematiek ondersteund vanuit empirisch onderzoek, en zo ja, waaruit bestaat het verschil?”

De additionele onderzoeksvragen luiden:

  1. Spelen de factoren leeftijd, sekseverschil en etnische achtergrond een rol bij de eventueel gevonden verschillen in spelkenmerken tussen beide onderzoeksgroepen en zo ja, welke?
  2. Is er verband tussen spelkenmerken en gedragsproblematiek?

De centrale onderzoeksvraag is enerzijds gebaseerd op de visie dat een kind-in-behandeling vanwege ontwikkelingsproblematiek een gebrekkiger spelvorm vertoont dan een kind zonder behandelingsnoodzaak. Anderzijds ondersteunt langdurige klinische ervaring van de onderzoeker deze veronderstelling. De additionele onderzoeksvragen specificeren de centrale onderzoeksvraag.

Het gaat om een exploratief onderzoek dat gericht is op het onderzoeken van de veronderstelling of en in hoeverre spelkenmerken van jonge kinderen van elkaar verschillen en mede de kwaliteit van het spel bepalen.

Twee onderzoeksgroepen hebben meegewerkt, te weten een groep van 45 drie- tot vijfjarige kinderen die op een medisch kleuterdagverblijf (MKD) zijn geplaatst voor behandeling van ontwikkelingsproblemen, de klinische groep, en 45 ‘gewone’ kinderen van dezelfde leeftijdsgroep die peuterspeelzalen of een gewone basisschool bezoeken, de niet-klinische groep. Naast enkele vragenlijsten, waaronder de CBCL, is gebruik gemaakt van de Gestructureerde Orthopedagogische Spelobservatiemethode, de GOrS.

In hoofdstuk 6 wordt de ontwikkeling en totstandkoming van de GOrS besproken. Deze spelobservatiemethode bestaat uit vier vaste onderdelen, te weten Spel met wereldmateriaal, Neutraal Rollenspel (winkelspel), Individueel thematisch rollenspel en Spel met water en zand. Ten dienste van het onderzoek is een spelcategorieënsysteem ontwikkeld, aan de hand waarvan daartoe getrainde codeurs de op video vastgelegde observatiegegevens hebben gescoord. De betrouwbaarheid van de GOrS is vastgesteld aan de hand van de interbeoordelaarovereenstemming en blijkt te variëren van ‘moderate’ tot ‘substantial’. Bij het vaststellen hiervan is een onderscheid gemaakt tussen de hoofdcategorieën Niet-Verbeeldend spel / Verbeeldend spel en Specificaties / Kwalificaties. Van de eerste twee zijn de gegevens met de methode van time-sampling verzameld. Van de laatste twee, alsmede van het GOrS-onderdeel Neutraal rollenspel, is dat gebeurd met de methode van event-sampling. Wat de begripsvaliditeit betreft is in dit onderzoek op voldoende wijze voldaan aan de eisen van helderheid, uitputtendheid en uitsluitendheid.

Hoofdstuk 7 behandelt de resultaten van het onderzoek. Wat de centrale onderzoeksvraag betreft blijken de beide onderzoeksgroepen verrassend genoeg vrijwel geen verschillen te vertonen in de spelvormkenmerken. Die zijn er wel tussen beide onderzoeksgroepen in de spelgedragskenmerken. Een analyse van de overeenkomsten van de spelvormkenmerken geeft aan dat van Niet-Verbeeldend spel de subcategorie Functioneel spel het meest voorkomt. Van Verbeeldend spel komt Doen-alsof spel tweemaal zo vaak voor als Verbaal-semantisch spel. Daaruit volgt dat zowel in de klinische als de niet-klinische groep het spel meer een handelend dan een talig karakter heeft.

De verschillen in spelgedragskenmerken blijken zich duidelijk te manifesteren bij het GOrS-onderdeel Neutraal rollenspel en bij de Specificaties en Negatieve Kwalificaties. Bij het Neutraal rollenspel is gelet op het wel of niet zelfstandig kunnen spelen en de mate waarin gebruik is gemaakt van hulp door de onderzoeker. De kinderen zonder ontwikkelingsproblemen gedragen zich in deze spelvorm zelfstandiger dan de kinderen met ontwikkelingsproblemen, terwijl de laatsten meer gebruik maken van hulp dan de kinderen zónder ontwikkelingsproblematiek.

In zijn algemeenheid maakt de klinische groep vaker gebruik van voorbeeldgedrag en vertoont ze ook vaker negatieve spelgedragskenmerken dan de niet-klinische groep.

Wat de eerste additionele onderzoeksvraag betreft: er blijken nauwelijks verschillen tussen de leeftijdsgroepen in spelvorm- en spelgedragskenmerken van beide onderzoeksgroepen. Bij zowel de driejarigen als de vijfjarigen van de klinische groep komt slechts één spelvormkenmerk vaker voor dan bij de niet-klinische groep. Wat sekseverschillen betreft blijkt dat van de niet-klinische groep de jongens significant meer Doen-alsof spel en Verbaal-semantisch spel vertonen dan de meisjes. Bij het Neutrale rollenspel is ook sekseverschil gevonden in de spelgedragskenmerken. Over de gehele groep bekeken hebben de jongens vaker hulp nodig dan de meisjes. Wat de etnische achtergrond betreft manifesteren de allochtone kinderen significant minder talig (Verbaal-semantisch) spel dan de autochtone kinderen. Dit verschijnsel doet zich zowel voor in de klinische als in de niet-klinische groep. De allochtone kinderen spelen het Neutrale rollenspel minder vaak zelfstandig en maken ook vaker gebruik van hulp.

Wat de tweede additionele onderzoeksvraag over de samenhang tussen spelkenmerken en gedragsproblematiek betreft:

Een hoge probleemgedragscore hangt negatief samen met Verbeeldend spel: naarmate er meer verbeeldend wordt gespeeld is er minder sprake van gedragsproblematiek, Dit geldt in het bijzonder voor geïnternaliseerde problematiek, met als specifieke factoren angstig gedrag en somatische problemen.

Naarmate kinderen meer Verbeeldend spel laten zien bij de GOrS-afname is er meer positief spelgedrag in de thuissituatie. Het laatste gaat eveneens samen met een afname van gedragsproblematiek.

Wanneer in het Neutrale Rollenspel meer gebruik wordt gemaakt van hulp, of spelgedrag vaker afwezig blijft, doet zich meer Internaliserende en Externaliserende gedrags-problematiek voor. Naarmate kinderen vaker onmiddellijk imiteren vertonen ze meer gedrags-problemen in tegenstelling tot de kinderen met uitgesteld imitatiegedrag. Positieve spel-gedragingen gaan samen met minder gedragsproblematiek, terwijl bij kinderen met veel Negatieve spelgedragingen er juist sprake is van meer gedragsproblematiek.

De kinderen van de klinische groep spelen thuis minder Fantasiespel dan de niet-klinische kinderen. Zij doen minder vaak aan creatieve activiteiten en zij besteden meer tijd aan tv kijken dan de niet-klinische kinderen. In het algemeen beoordelen de ouders van de klinische kinderen het spelgedrag negatiever dan de ouders van de niet-klinische kinderen. Het gaat daarbij vooral om de kwaliteit, concentratie, lengte, variatie en het sociale karakter van het spel.

In hoofdstuk 8 Discussie worden eerst de onderzoeksopzet en de onderzoeksmiddelen kritisch besproken. Het creëren van de nieuwe spelcategorie ‘Verbaal-semantisch spel’ blijkt een zinvolle differentiëring binnen Verbeeldend spel. Hiermee wordt het talige aspect van spel duidelijker onderscheiden.

Bij het bespreken van de resultaten komt naar voren dat de geconstateerde overeenkomsten in spelvormkenmerken in plaats van de veronderstelde verschillen, een bemoedigende conclusie is. Uit het onderzoek blijkt immers dat kinderen met ontwikkelingsproblemen die gebruikmaken van hulp, eenzelfde niveau van spelvormkenmerken behalen als de kinderen zonder ontwikkelingsproblemen. Dat is extra belangrijk omdat een hoger niveau van verbeeldend spel samengaat met minder gedragsproblemen. De verschillen zijn vooral gevonden in de spelgedragskenmerken.

Dit empirisch onderzoek heeft met name duidelijk gemaakt dat kinderen met ontwikkelingsproblemen niet alleen behoefte hebben aan hulp maar dat het gebruikmaken van de geboden hulp leidt tot een niveau van spelvormkenmerken dat overeenkomt met dat van de kinderen zonder ontwikkelingsproblematiek. De geconstateerde verschillen in spelgedrags-kenmerken kunnen concrete aanknopingspunten vormen voor de begeleiding van het gedrag tijdens spel.

In de Desiderata wordt gepleit voor het betrekken van neurologische gegevens bij verder onderzoek naar Verbeeldend spel, voor het combineren van gegevens over de spel-inhoud met die van de spelvorm, voor nader onderzoek naar mogelijke verschillen in de talige kenmerken van het spel van jongens en meisjes, voor het beschouwen van het verschijnsel spel als een Peirceaans, trichotoom tekensysteem, alsmede voor nader onderzoek naar de verhouding tussen iconische, indexicale en symbolische tekens in het spel van het kind.